Amsterdamse studie: 82% van doorverwezen jongeren start alsnog medische transitie
Een nieuwe cohortstudie van Amsterdam UMC laat zien dat 82% van 1.470 doorverwezen jongeren alsnog puberteitsremmers of hormonen kreeg. Bijna 4 op de 10 'afwijzingen' bleken in werkelijkheid het ontbreken van een diagnose — en bijna een derde van de niet-behandelden keerde als volwassene terug.
Door Ineke Bosman

Een nieuwe Nederlandse cohortstudie, deze maand gepubliceerd in het vaktijdschrift Journal of Sex & Marital Therapy, doet wat er in het gendersdebat te weinig gebeurt: het legt open hoeveel jongeren die zich bij de genderkliniek van Amsterdam UMC meldden, uiteindelijk géén medische transitie kregen — en waarom niet. Het antwoord is 18 procent. De overige 82 procent kreeg wel hormonen of, later, chirurgie. Wie verder leest dan het percentage, ziet dat de studie zelf een ongemakkelijke vraag oproept over wat er precies gebeurt in het gesprek tussen intake en verwijzing.
Wat de studie onderzocht
Onderzoekers De Rooy, Dekkers, De Vries, Steensma en collega’s deden een dossieronderzoek naar alle 1.470 adolescenten die tussen 2009 en 2019 achtereenvolgens werden verwezen naar het Kenniscentrum Genderdysforie van Amsterdam UMC, de opvolger van de kliniek die het Dutch Protocol ontwikkelde. Van hen kregen 264 jongeren (18 procent) geen gender-bevestigende medische behandeling (GAMT): geen puberteitsremmers, geen kruishormonen. De overige 1.206 — 82 procent — doorliepen dat traject wel.
Waarom bleef 18 procent buiten de behandeling?
De belangrijkste reden die de onderzoekers noemen is opvallend: bij 38,3 procent van de niet-behandelde jongeren werd helemaal geen diagnose genderdysforie gesteld. Bij nog eens 27,7 procent was er wel sprake van genderdysfore gevoelens, maar bleek een volledig diagnostisch traject niet haalbaar — jongeren haakten af, verhuisden, of de klinische situatie veranderde. Van een bewuste, onderbouwde afwijzing na grondige differentiaaldiagnose is in beide categorieën nauwelijks sprake: de studie laat zien dat het uitblijven van behandeling vaker het gevolg is van het vroegtijdig stokken van het traject dan van een diagnose die actief tot ‘nee’ concludeert.
Geen diagnose is niet hetzelfde als een uitgesloten diagnose
Dat bijna vier op de tien ‘niet-behandelden’ nooit een diagnose kregen, is precies het punt waar onze pagina over informed consent op wijst: toestemming voor een onomkeerbaar traject veronderstelt dat er eerst een zorgvuldige diagnostische afweging heeft plaatsgevonden — in beide richtingen. Als bijna twee derde van de doorverwezen jongeren zonder nadere uitsplitsing rechtstreeks in het GAMT-traject terechtkomt, en de groep die dat niet doet vooral bestaat uit jongeren bij wie het traject simpelweg niet is afgemaakt, dan is dat geen bewijs van een grondig zeef, maar eerder van een intake die in de praktijk als voorportaal fungeert. De studie noemt zelf dat informatie van ouders — verzameld via de zogeheten hetero-anamnese, waarin onder meer seksuele oriëntatie aan bod komt — wordt opgehaald, maar niet wordt teruggekoppeld aan het diagnostisch oordeel. Ook op de analyse van de vijf zwakke schakels in de informatieplicht bij genderzorg komt dit element — comorbiditeit en differentiaaldiagnose — terug als een van de plekken waar het protocol structureel tekortschiet.
Bijna een derde komt als volwassene terug
Nog een cijfer dat de onderzoekers zelf vermelden: van de 264 jongeren die geen GAMT kregen, meldde 28,8 procent (76 personen) zich als volwassene opnieuw aan bij de kliniek met een hernieuwd verzoek om medische transitie. Dat betekent dat de aanvankelijke ‘nee’ voor een substantieel deel van deze groep eerder een ‘nu nog niet’ was dan een weloverwogen conclusie dat er geen sprake was van genderdysforie. De onderzoekers vonden bovendien dat de jongeren die geen behandeling kregen, bij aanvang weliswaar minder ernstige genderdysforie en een minder negatief lichaamsbeeld rapporteerden dan de behandelde groep, maar wél méér problemen op het gebied van psychologisch functioneren. Met andere woorden: precies de groep met de meeste bijkomende psychische problematiek was de groep bij wie de diagnostische vraag het minst werd afgerond.
Wat dit betekent — en wat niet
De onderzoekers trekken zelf geen conclusie over de kwaliteit van de gatekeeping; zij beschrijven kenmerken van een cohort. Die terughoudendheid siert het onderzoek. Maar de cijfers die zij presenteren, laten zich moeilijk lezen als geruststelling over ‘zorgvuldige toegang’. Een kliniek waar 82 procent van de verwezen jongeren in het medische traject belandt, waar bijna 4 op de 10 ‘afwijzingen’ in werkelijkheid het ontbreken van een diagnose betekenen, en waar bijna een derde van de niet-behandelden later alsnog terugkeert, past eerder bij het beeld dat de Cass Review in Engeland schetste: een systeem waarin het eerste ‘ja’ zelden grondig wordt heroverwogen. Dat is onze duiding van de cijfers, niet een conclusie van de auteurs — maar het is wel de vraag die deze studie, ondanks zichzelf, weer op tafel legt: functioneert de intake als een echte diagnostische zeef, of vooral als bevestiging van een traject dat al in gang is gezet?
Bronnen
- De Rooy, C., Dekkers, T., De Vries, A.L.C., Steensma, T.D. e.a., “Characteristics of Dutch Gender Clinic-Referred Adolescents Who Did Not Pursue Gender-Affirming Medical Treatment”, Journal of Sex & Marital Therapy, gepubliceerd online 9 maart 2026. PubMed
- Voorzij, “De illusie van voorzichtigheid — wat de nieuwste Amsterdamse studie écht onthult over genderzorg voor jongeren”, 2026. voorzij.nl
Veelgestelde vragen
Wat heeft de nieuwe Amsterdamse studie over genderzorg voor jongeren onderzocht?
Onderzoekers van Amsterdam UMC bekeken de dossiers van 1.470 adolescenten die tussen 2009 en 2019 werden verwezen naar het Kenniscentrum Genderdysforie. Van hen kreeg 82 procent (1.206 jongeren) een gender-bevestigende medische behandeling; 18 procent (264 jongeren) niet.
Waarom kreeg 18 procent van de verwezen jongeren geen medische behandeling?
Bij 38,3 procent van hen werd nooit een diagnose genderdysforie gesteld; bij 27,7 procent was er wel sprake van genderdysfore gevoelens, maar liep het diagnostische traject om andere redenen niet af. Van een actieve, onderbouwde afwijzing na volledige differentiaaldiagnose was in beide groepen nauwelijks sprake.
Wat gebeurde er met de jongeren die geen behandeling kregen?
Bijna 3 op de 10 (28,8 procent) meldde zich als volwassene opnieuw aan bij de kliniek met een verzoek om alsnog medische transitie te starten — een aanwijzing dat de aanvankelijke 'nee' voor een deel van deze groep eerder een 'nu nog niet' was dan een afgeronde diagnostische conclusie.

Ineke Bosman
Redactie